ZEVENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]ZEVENDE HOOFDSTUK.Lieve jongens!Mevrouw Markens zag, toen het rijtuig haar erf opreed, buitengewone beweging van heen enweêrloopende inlanders. Zij had geen[49]woord gewisseld met haar man; zij hadden elkaar niets te zeggen.„Wat zou dat beteekenen?” vroeg zij nu angstig, de hand reeds aan den knop van het portier.„Houd je bedaard, Etienne; we zullen ’t wel dadelijk hooren.”Maar zenuwachtig en al bevend van voorloopigen schrik, had ze de deur open vóór het rijtuig stilstond.Markens hield haar tegen.„Wees toch zoo onvoorzichtig niet, je zult zelf een ongeluk krijgen.”Zij trok zich los en sprong op het pad; de grind schoof weg onder haar balschoentjes; zij viel achterover, schoon niet heel hard, en zijdelings op het gazon. Het maakte haar nog zenuwachtiger, en snel opstaand, zonder haar mooiesortie, die in het gras achterbleef, liep ze voort, Markens mopperend er achteraan, maar toch ook ongerust, over die beweging, waar men altijd alles zoo volmaakt stil en rustig gewoon was.De stemmen der bedienden zwegen, en hun heen enweêrloopen hield op; zij stonden in de achtergalerij voor de deur; binnen brandde een laag licht.„Eddy! Freddy!” had mevrouw Markens luid geroepen, haast struikelend over haar eigen voetstappen, in haar zenuwachtigen angst, overtuigd, dat den kinderen een ongeluk was overkomen.„Hier ma!” zei een der jongens.„Wat is er gebeurd? Is jullie iets overkomen?”„Ja zeker, ma!” riep de oudste. „Ze hebben bij u gestolen, en nu zeggen ze, dat wij het hebben gedaan.”De jongens in hun broeken en baadjes zagen er gezond en goed gebouwd uit, doch met iets ouwelijks en getrokkens in hun gezichten.„Gestolen!” herhaalde hun moeder, verwonderd, en nu er geen lichamelijk ongeluk was gebeurd, weêr kalm: „Bijonsgestolen?”Als in het begin spraken de jongens beiden te gelijk, meê voortgaande naar het boudoir van mama. Luid en schreeuwerig, brachten zij hun ouders bij een mahoniehouten spiegelkast, die openstond, het slot geforceerd; door elkaar vertellend, zeiden zij, dat ze een dief gehoord hadden en om hulp enmalieng-malienghadden geschreeuwd; toen waren de bedienden gekomen en die geloofden dat zij het hadden gedaan.…„Wat hadden gedaan?” vroeg Markens ineens.„Het geld gestolen,” zeiden de jongens.„Is er dan geld gestolen? Hoe weten jullie, dat er geld is weggenomen?”De jongens stonden een oogenblik aarzelend, hakkelend bij het inslikken van het woordenrelletje, waar ze nog niet uit waren.„Mijn beursje is weg met dertig gulden zilver,” zei mevrouw Markens[50]tamelijk onverschillig. „De kinderen kunnen best weten, dat het in mijn kast lag; ze hebben het zeker hier zien liggen, als ze in de kamer waren.”„Ja, het is het beursje van mama,” riepen de jongens te gelijk, „en er zaten dertig guldens in aan rijksdaalders.”„Ik laat dadelijk den schout roepen,” verklaarde mevrouw Markens met verontwaardiging; „ik laat al de bedienden oppakken en in hun kamers huiszoeking doen,” en met ’n vaart naar achter loopend, waar het bediendenpersoneel nog stond, in een afwachtende houding, niet wetend of het zou blijven of weggaan,—viel zij woedend uit, hen scheldend voor dieven en inbrekers, dreigend met politie, gevangenis en dwangarbeid, terwijl Markens achter haar stond zonder eenige overtuiging, veeleer met twijfel en angst in zijn hart, maar een boos en ongenaakbaar gezicht trekkend, harmonisch dreigend met de kwade woorden zijner vrouw.Toen zij had uitgesproken, kwam een oude huisjongen een stapje voorwaarts, het vastbeslotene in zijn uiterlijk, dat een inlander kenmerkt, als hij ten slotte zich heeft voorgenomen voor zijn rechten op te komen.„Wij hebben niets gedaan,” zei hij. „Zij niet en ik niet. Ik hield hier zelf de wacht toen mijnheer en mevrouw uit waren. De anderen zaten voor hun kamers; ik kon hen zien in de verte bij hun lampjes. De sinjo’s schreeuwden, en ik ging dadelijk naar binnen; de anderen volgden. Er was niets. De kast stond open en de sinjo’s zeiden, dat er geld uit was. Wij weten van niets.”Met nijdige gezichten schoten de jongens, die op hun bloote voeten naderbij waren geslopen, achter hun ouders vandaan.„Hij liegt het, ma. Hij was al in de kamer, en hij moet het hebben weggenomen ook!”Mevrouw Markens wond zich meer en meer op.„Hoor je het?” vroeg zij haar man, die met de kin in de hand en ’n somber gezicht voor zich keek. „Hoor je het? De kinderen hebben het dieventuig zelf betrapt, en nog durft die kerel het ontkennen. Maar ze zullen het weten, dat beloof ik hun. ’t Is maar gelukkig, dat de kinderen het ontdekt hebben.”De bejaarde inlander, die goed Hollandsch verstond, trok, nu ook inwendig zenuwachtig, aan de randen van zijn baadje, zich bedwingend om niet uit den goeden toon te vallen en brutaal te worden.„Ik zou gaarne mijnheer even alleen spreken.”„Je hebt niets alleen te spreken met mijnheer! Je kunt wel zeggen, wat je te zeggen hebt, waar ik bij ben.”Die „onbeschoftheid” bracht haar bijna buiten haar zelve. Zij zou[51]genegeerd worden en niet gerekend als nummer één in huis door zoo’n verachtelijk voorwerp als een inlandsche bediende! En Markens, wel voelend, dat er verschrikkelijke scènes stonden te gebeuren, als hij den inlander z’n zin gaf, knikte op haar woorden toestemmend.„Wat je te zeggen hebt,” zei hij tot den bediende, „moet mevrouw even goed hooren als ik.”De man schraapte zijn keel; het viel hem moeilijk; toch zei hij met vaste stem:„De sinjo’s hebben het geld weggenomen. Zij hebben het verborgen in hun bed. Zij nemen wel iets meer weg, dat zij daar verstoppen. Ik heb het al lang geweten, en de anderen weten het ook.”Zij stonden allen verslagen een oogenblik. Markens had het zien aankomen. Zijn oude inspecteursgevatheid had hem dadelijk doen opmerken wie de schuldigen waren. Nu had hij zekerheid voor zichzelf, en bij de groote smart, die over hem kwam, doorstroomde hem ook heelemaal het gevoel van een onafwijsbaren plicht, die ten koste van alles moest vervuld worden.„Wij zullen het dadelijk gaan onderzoeken.”Zijn vrouw had een oogenblik verslagen gestaan, met een instinctmatige beweging als om haar jongens te beschermen, die gluiperig en nijdig, met witte lippen, rondkeken zijlings uit met hun harde hielen trappend naar de bedienden. Nu zij dàt hoorde, werd zij in eens zichzelf; had zij haar hooghartigheid en trots terug, en kalm, minachtend van toon, vroeg zij:„Zou-je dat werkelijk doen?”„Ongetwijfeld.”„Zou-je mij en mijn kinderen die schandelijke beleediging durven aandoen?”„Hetmoetonderzocht worden.”„En ik zeg je, dat het nietzalgebeuren.”Hij haalde de schouders op, als iemand, die met een dwaze te doen heeft en wierp een harden, strengen blik op de jongens.„Ed, Fred,ajo, vooruit!”Maar zij hield ze terug, bevend van het hoofd tot de voeten, en gillend haast in haar toestand van zenuwachtige overspanning; gebiedend in haar houding met uitgestrekten arm en wijsvinger, riep ze:„Markens, het gebeurt niet. Ik verbied je mij die schandelijke vernedering aan te doen tegenover mijn leugenachtige bedienden, of ik verlaat dadelijk dit huis.”Het waren „haar” kinderen en „haar” bedienden; de zijnen waren het, naar haar oordeel, blijkbaar niet. Zij zei dat altijd zóó, en altijd[52]hinderde het hem. Nu vooral, trof hem zoo diep haar vijandige houding tegenover hem, waar hij niets wilde doen dan zijn plicht. Altijd was hij goed, meegaand, zachtzinnig geweest, onder den invloed van haar steeds op den voorgrond gestelde afkomst-superioriteit, als ware die van haar een persoonlijke verdienste, altijd had hij haar behandeld met toegevendheid en onderscheiding en zich zoo weinig hoofd betoond van het gezin, dat hij het metterdaad ook reeds lang niet meer was. Nu het zóóver gekomen was, dus te laat, kon hij niet meer. Hij vergat de gewone nette verhouding, die hij altijd, schoon gedwongen, in het oog had gehouden bij verschil; zijn gezicht werd rood en zijn voorhoofd zwol van toorn.„Dan donder-je maar op! Ed, Fred,ajo, vooruit!”En het rechterbeen uitstrekkend, gaf hij Freddy een harden schop. De jongens waren nog het meest verschrikt. Zóó kenden ze hun vader niet; hun harten bonsden, angstig liepen ze naar hun kamer. Even had mevrouw Markens haar hand tegen den muur gesteund, wankelend op haar beenen, nu ze gevoelde, dat alles verloren was, en niets haar helpen kon in de verdedigingquand mêmevan haar kinderen,—maar ook door de herinnering. Dat was dezelfde ruwheid van dertig jaren en langer geleden van haar dronken vader, die haar elken dag sloeg, en van haar slechte sujetten van broers; dezelfde verschrikkelijke toon, dien zij zoolang had getracht te vergeten, dien zij meende nooitweêrte zullen hooren en die nu opeens terugkwam als een opdoemend verschrikkelijk verleden in het barsche: „Dan donder-je maar op!” van haar anders zoo goedigen, volgzamen man!Het duurde niet lang. Zij liep hem na; zij moest weten hoe het zou afloopen; zij moest erbij zijn om haar kinderen te verdedigen.Toen zij binnenkwam was de klamboe van het bed wijd open, lag de bultzak omgeslagen. De jongens stonden erbij in grooten angst, bijtend op de nagels hunner bevende vingers. En bij ’t schijnsel van het nachtlampje, dat de oude bediende omhoog hield, zag zij zilvergeld blinken in de hand van Markens en hoorde zij het rammelen op de onderlagen. Er kwam meer uit dan het geld; half leege conserveblikjes; voorwerpen, die zij meende verloren te hebben of die zoek waren geraakt; snoeperijen uit den koekbakkerswinkel; een nog volle flesch port en restantjes andere dranken,—een kleinegoedang.Wanhopig keek Markens naar de jongens; in zijn schrikkelijk verdriet een opwelling van razende woede, een lust hen dood te slaan in één slag.„O God,” riep zijn vrouw, de handen samenvouwend en in theatrale houding vlak voor hem. „Hoe schandelijk, hoe gemeen! Dat heeft dat volk er[53]met opzet in verborgen om mijn lieve kinderenongelukkig temaken!”Doch van politie, gevangenis en dwangarbeid sprak zij niet meer.„Ik zal jullie morgen wel vinden,” was alles, wat Markens tegen de jongens wist te zeggen, en hij wist daar op dat oogenblik zelf niet bijwathij den volgenden dag doen zou. Hij zei het enkel om iets te zeggen, blij, dat het schandaal in zoover was afgeloopen; en Eddy en Freddy waren niet minder blij, dadelijk gekheid makend en stilletjes scheldend op hun vader en de bedienden, die ze wel „zouden krijgen;” zonder eenig gevoel van spijt om hun gedrag, heelemaal doortrokken met de eigenschappen van den ontaarden tak waaruit hun moeder voortkwam, en die zich in hun geest en wezen als photographisch had overgebracht.Het was Markens niet mogelijk geweest te slapen; hij zat in zijn studeerkamer, beproevend na te denken, doch onder den invloed van het oogenblik er niet toe in staat. Nu en dan rolden de tranen hem over ’t gezicht. Wat moest daarvan worden als hij eens dood was? Hij had nu een goed inkomen, dat hij niet onaanzienlijk wist te vermeerderen, wel zonder rechtstreeks iemand te benadeelen, maar toch op een manier, die het daglicht niet kon verdragen. Zij zaten met dat al in schulden, al was hun gezin maar klein. Het had hem alles minder kunnen schelen, wanneer hij slechts genoegen van die twee jongens had beleefd. Doch dat was nooit gebeurd, en nu—hadden zij zich schuldig gemaakt aan diefstal, en niet eens voor de eerste maal. Misschien zou hij, als hij er ernstig naar streefde, paal en perk kunnen stellen aan dat alles, maar wat zou het baten? Zijn vrouw zou wel een tegenwicht ten kwade leveren, en dan was alle moeite toch vruchteloos; dan groeiden zijn kinderen toch, om zoo te spreken, op voor galg en rad!

[Inhoud]ZEVENDE HOOFDSTUK.Lieve jongens!Mevrouw Markens zag, toen het rijtuig haar erf opreed, buitengewone beweging van heen enweêrloopende inlanders. Zij had geen[49]woord gewisseld met haar man; zij hadden elkaar niets te zeggen.„Wat zou dat beteekenen?” vroeg zij nu angstig, de hand reeds aan den knop van het portier.„Houd je bedaard, Etienne; we zullen ’t wel dadelijk hooren.”Maar zenuwachtig en al bevend van voorloopigen schrik, had ze de deur open vóór het rijtuig stilstond.Markens hield haar tegen.„Wees toch zoo onvoorzichtig niet, je zult zelf een ongeluk krijgen.”Zij trok zich los en sprong op het pad; de grind schoof weg onder haar balschoentjes; zij viel achterover, schoon niet heel hard, en zijdelings op het gazon. Het maakte haar nog zenuwachtiger, en snel opstaand, zonder haar mooiesortie, die in het gras achterbleef, liep ze voort, Markens mopperend er achteraan, maar toch ook ongerust, over die beweging, waar men altijd alles zoo volmaakt stil en rustig gewoon was.De stemmen der bedienden zwegen, en hun heen enweêrloopen hield op; zij stonden in de achtergalerij voor de deur; binnen brandde een laag licht.„Eddy! Freddy!” had mevrouw Markens luid geroepen, haast struikelend over haar eigen voetstappen, in haar zenuwachtigen angst, overtuigd, dat den kinderen een ongeluk was overkomen.„Hier ma!” zei een der jongens.„Wat is er gebeurd? Is jullie iets overkomen?”„Ja zeker, ma!” riep de oudste. „Ze hebben bij u gestolen, en nu zeggen ze, dat wij het hebben gedaan.”De jongens in hun broeken en baadjes zagen er gezond en goed gebouwd uit, doch met iets ouwelijks en getrokkens in hun gezichten.„Gestolen!” herhaalde hun moeder, verwonderd, en nu er geen lichamelijk ongeluk was gebeurd, weêr kalm: „Bijonsgestolen?”Als in het begin spraken de jongens beiden te gelijk, meê voortgaande naar het boudoir van mama. Luid en schreeuwerig, brachten zij hun ouders bij een mahoniehouten spiegelkast, die openstond, het slot geforceerd; door elkaar vertellend, zeiden zij, dat ze een dief gehoord hadden en om hulp enmalieng-malienghadden geschreeuwd; toen waren de bedienden gekomen en die geloofden dat zij het hadden gedaan.…„Wat hadden gedaan?” vroeg Markens ineens.„Het geld gestolen,” zeiden de jongens.„Is er dan geld gestolen? Hoe weten jullie, dat er geld is weggenomen?”De jongens stonden een oogenblik aarzelend, hakkelend bij het inslikken van het woordenrelletje, waar ze nog niet uit waren.„Mijn beursje is weg met dertig gulden zilver,” zei mevrouw Markens[50]tamelijk onverschillig. „De kinderen kunnen best weten, dat het in mijn kast lag; ze hebben het zeker hier zien liggen, als ze in de kamer waren.”„Ja, het is het beursje van mama,” riepen de jongens te gelijk, „en er zaten dertig guldens in aan rijksdaalders.”„Ik laat dadelijk den schout roepen,” verklaarde mevrouw Markens met verontwaardiging; „ik laat al de bedienden oppakken en in hun kamers huiszoeking doen,” en met ’n vaart naar achter loopend, waar het bediendenpersoneel nog stond, in een afwachtende houding, niet wetend of het zou blijven of weggaan,—viel zij woedend uit, hen scheldend voor dieven en inbrekers, dreigend met politie, gevangenis en dwangarbeid, terwijl Markens achter haar stond zonder eenige overtuiging, veeleer met twijfel en angst in zijn hart, maar een boos en ongenaakbaar gezicht trekkend, harmonisch dreigend met de kwade woorden zijner vrouw.Toen zij had uitgesproken, kwam een oude huisjongen een stapje voorwaarts, het vastbeslotene in zijn uiterlijk, dat een inlander kenmerkt, als hij ten slotte zich heeft voorgenomen voor zijn rechten op te komen.„Wij hebben niets gedaan,” zei hij. „Zij niet en ik niet. Ik hield hier zelf de wacht toen mijnheer en mevrouw uit waren. De anderen zaten voor hun kamers; ik kon hen zien in de verte bij hun lampjes. De sinjo’s schreeuwden, en ik ging dadelijk naar binnen; de anderen volgden. Er was niets. De kast stond open en de sinjo’s zeiden, dat er geld uit was. Wij weten van niets.”Met nijdige gezichten schoten de jongens, die op hun bloote voeten naderbij waren geslopen, achter hun ouders vandaan.„Hij liegt het, ma. Hij was al in de kamer, en hij moet het hebben weggenomen ook!”Mevrouw Markens wond zich meer en meer op.„Hoor je het?” vroeg zij haar man, die met de kin in de hand en ’n somber gezicht voor zich keek. „Hoor je het? De kinderen hebben het dieventuig zelf betrapt, en nog durft die kerel het ontkennen. Maar ze zullen het weten, dat beloof ik hun. ’t Is maar gelukkig, dat de kinderen het ontdekt hebben.”De bejaarde inlander, die goed Hollandsch verstond, trok, nu ook inwendig zenuwachtig, aan de randen van zijn baadje, zich bedwingend om niet uit den goeden toon te vallen en brutaal te worden.„Ik zou gaarne mijnheer even alleen spreken.”„Je hebt niets alleen te spreken met mijnheer! Je kunt wel zeggen, wat je te zeggen hebt, waar ik bij ben.”Die „onbeschoftheid” bracht haar bijna buiten haar zelve. Zij zou[51]genegeerd worden en niet gerekend als nummer één in huis door zoo’n verachtelijk voorwerp als een inlandsche bediende! En Markens, wel voelend, dat er verschrikkelijke scènes stonden te gebeuren, als hij den inlander z’n zin gaf, knikte op haar woorden toestemmend.„Wat je te zeggen hebt,” zei hij tot den bediende, „moet mevrouw even goed hooren als ik.”De man schraapte zijn keel; het viel hem moeilijk; toch zei hij met vaste stem:„De sinjo’s hebben het geld weggenomen. Zij hebben het verborgen in hun bed. Zij nemen wel iets meer weg, dat zij daar verstoppen. Ik heb het al lang geweten, en de anderen weten het ook.”Zij stonden allen verslagen een oogenblik. Markens had het zien aankomen. Zijn oude inspecteursgevatheid had hem dadelijk doen opmerken wie de schuldigen waren. Nu had hij zekerheid voor zichzelf, en bij de groote smart, die over hem kwam, doorstroomde hem ook heelemaal het gevoel van een onafwijsbaren plicht, die ten koste van alles moest vervuld worden.„Wij zullen het dadelijk gaan onderzoeken.”Zijn vrouw had een oogenblik verslagen gestaan, met een instinctmatige beweging als om haar jongens te beschermen, die gluiperig en nijdig, met witte lippen, rondkeken zijlings uit met hun harde hielen trappend naar de bedienden. Nu zij dàt hoorde, werd zij in eens zichzelf; had zij haar hooghartigheid en trots terug, en kalm, minachtend van toon, vroeg zij:„Zou-je dat werkelijk doen?”„Ongetwijfeld.”„Zou-je mij en mijn kinderen die schandelijke beleediging durven aandoen?”„Hetmoetonderzocht worden.”„En ik zeg je, dat het nietzalgebeuren.”Hij haalde de schouders op, als iemand, die met een dwaze te doen heeft en wierp een harden, strengen blik op de jongens.„Ed, Fred,ajo, vooruit!”Maar zij hield ze terug, bevend van het hoofd tot de voeten, en gillend haast in haar toestand van zenuwachtige overspanning; gebiedend in haar houding met uitgestrekten arm en wijsvinger, riep ze:„Markens, het gebeurt niet. Ik verbied je mij die schandelijke vernedering aan te doen tegenover mijn leugenachtige bedienden, of ik verlaat dadelijk dit huis.”Het waren „haar” kinderen en „haar” bedienden; de zijnen waren het, naar haar oordeel, blijkbaar niet. Zij zei dat altijd zóó, en altijd[52]hinderde het hem. Nu vooral, trof hem zoo diep haar vijandige houding tegenover hem, waar hij niets wilde doen dan zijn plicht. Altijd was hij goed, meegaand, zachtzinnig geweest, onder den invloed van haar steeds op den voorgrond gestelde afkomst-superioriteit, als ware die van haar een persoonlijke verdienste, altijd had hij haar behandeld met toegevendheid en onderscheiding en zich zoo weinig hoofd betoond van het gezin, dat hij het metterdaad ook reeds lang niet meer was. Nu het zóóver gekomen was, dus te laat, kon hij niet meer. Hij vergat de gewone nette verhouding, die hij altijd, schoon gedwongen, in het oog had gehouden bij verschil; zijn gezicht werd rood en zijn voorhoofd zwol van toorn.„Dan donder-je maar op! Ed, Fred,ajo, vooruit!”En het rechterbeen uitstrekkend, gaf hij Freddy een harden schop. De jongens waren nog het meest verschrikt. Zóó kenden ze hun vader niet; hun harten bonsden, angstig liepen ze naar hun kamer. Even had mevrouw Markens haar hand tegen den muur gesteund, wankelend op haar beenen, nu ze gevoelde, dat alles verloren was, en niets haar helpen kon in de verdedigingquand mêmevan haar kinderen,—maar ook door de herinnering. Dat was dezelfde ruwheid van dertig jaren en langer geleden van haar dronken vader, die haar elken dag sloeg, en van haar slechte sujetten van broers; dezelfde verschrikkelijke toon, dien zij zoolang had getracht te vergeten, dien zij meende nooitweêrte zullen hooren en die nu opeens terugkwam als een opdoemend verschrikkelijk verleden in het barsche: „Dan donder-je maar op!” van haar anders zoo goedigen, volgzamen man!Het duurde niet lang. Zij liep hem na; zij moest weten hoe het zou afloopen; zij moest erbij zijn om haar kinderen te verdedigen.Toen zij binnenkwam was de klamboe van het bed wijd open, lag de bultzak omgeslagen. De jongens stonden erbij in grooten angst, bijtend op de nagels hunner bevende vingers. En bij ’t schijnsel van het nachtlampje, dat de oude bediende omhoog hield, zag zij zilvergeld blinken in de hand van Markens en hoorde zij het rammelen op de onderlagen. Er kwam meer uit dan het geld; half leege conserveblikjes; voorwerpen, die zij meende verloren te hebben of die zoek waren geraakt; snoeperijen uit den koekbakkerswinkel; een nog volle flesch port en restantjes andere dranken,—een kleinegoedang.Wanhopig keek Markens naar de jongens; in zijn schrikkelijk verdriet een opwelling van razende woede, een lust hen dood te slaan in één slag.„O God,” riep zijn vrouw, de handen samenvouwend en in theatrale houding vlak voor hem. „Hoe schandelijk, hoe gemeen! Dat heeft dat volk er[53]met opzet in verborgen om mijn lieve kinderenongelukkig temaken!”Doch van politie, gevangenis en dwangarbeid sprak zij niet meer.„Ik zal jullie morgen wel vinden,” was alles, wat Markens tegen de jongens wist te zeggen, en hij wist daar op dat oogenblik zelf niet bijwathij den volgenden dag doen zou. Hij zei het enkel om iets te zeggen, blij, dat het schandaal in zoover was afgeloopen; en Eddy en Freddy waren niet minder blij, dadelijk gekheid makend en stilletjes scheldend op hun vader en de bedienden, die ze wel „zouden krijgen;” zonder eenig gevoel van spijt om hun gedrag, heelemaal doortrokken met de eigenschappen van den ontaarden tak waaruit hun moeder voortkwam, en die zich in hun geest en wezen als photographisch had overgebracht.Het was Markens niet mogelijk geweest te slapen; hij zat in zijn studeerkamer, beproevend na te denken, doch onder den invloed van het oogenblik er niet toe in staat. Nu en dan rolden de tranen hem over ’t gezicht. Wat moest daarvan worden als hij eens dood was? Hij had nu een goed inkomen, dat hij niet onaanzienlijk wist te vermeerderen, wel zonder rechtstreeks iemand te benadeelen, maar toch op een manier, die het daglicht niet kon verdragen. Zij zaten met dat al in schulden, al was hun gezin maar klein. Het had hem alles minder kunnen schelen, wanneer hij slechts genoegen van die twee jongens had beleefd. Doch dat was nooit gebeurd, en nu—hadden zij zich schuldig gemaakt aan diefstal, en niet eens voor de eerste maal. Misschien zou hij, als hij er ernstig naar streefde, paal en perk kunnen stellen aan dat alles, maar wat zou het baten? Zijn vrouw zou wel een tegenwicht ten kwade leveren, en dan was alle moeite toch vruchteloos; dan groeiden zijn kinderen toch, om zoo te spreken, op voor galg en rad!

ZEVENDE HOOFDSTUK.Lieve jongens!

Mevrouw Markens zag, toen het rijtuig haar erf opreed, buitengewone beweging van heen enweêrloopende inlanders. Zij had geen[49]woord gewisseld met haar man; zij hadden elkaar niets te zeggen.„Wat zou dat beteekenen?” vroeg zij nu angstig, de hand reeds aan den knop van het portier.„Houd je bedaard, Etienne; we zullen ’t wel dadelijk hooren.”Maar zenuwachtig en al bevend van voorloopigen schrik, had ze de deur open vóór het rijtuig stilstond.Markens hield haar tegen.„Wees toch zoo onvoorzichtig niet, je zult zelf een ongeluk krijgen.”Zij trok zich los en sprong op het pad; de grind schoof weg onder haar balschoentjes; zij viel achterover, schoon niet heel hard, en zijdelings op het gazon. Het maakte haar nog zenuwachtiger, en snel opstaand, zonder haar mooiesortie, die in het gras achterbleef, liep ze voort, Markens mopperend er achteraan, maar toch ook ongerust, over die beweging, waar men altijd alles zoo volmaakt stil en rustig gewoon was.De stemmen der bedienden zwegen, en hun heen enweêrloopen hield op; zij stonden in de achtergalerij voor de deur; binnen brandde een laag licht.„Eddy! Freddy!” had mevrouw Markens luid geroepen, haast struikelend over haar eigen voetstappen, in haar zenuwachtigen angst, overtuigd, dat den kinderen een ongeluk was overkomen.„Hier ma!” zei een der jongens.„Wat is er gebeurd? Is jullie iets overkomen?”„Ja zeker, ma!” riep de oudste. „Ze hebben bij u gestolen, en nu zeggen ze, dat wij het hebben gedaan.”De jongens in hun broeken en baadjes zagen er gezond en goed gebouwd uit, doch met iets ouwelijks en getrokkens in hun gezichten.„Gestolen!” herhaalde hun moeder, verwonderd, en nu er geen lichamelijk ongeluk was gebeurd, weêr kalm: „Bijonsgestolen?”Als in het begin spraken de jongens beiden te gelijk, meê voortgaande naar het boudoir van mama. Luid en schreeuwerig, brachten zij hun ouders bij een mahoniehouten spiegelkast, die openstond, het slot geforceerd; door elkaar vertellend, zeiden zij, dat ze een dief gehoord hadden en om hulp enmalieng-malienghadden geschreeuwd; toen waren de bedienden gekomen en die geloofden dat zij het hadden gedaan.…„Wat hadden gedaan?” vroeg Markens ineens.„Het geld gestolen,” zeiden de jongens.„Is er dan geld gestolen? Hoe weten jullie, dat er geld is weggenomen?”De jongens stonden een oogenblik aarzelend, hakkelend bij het inslikken van het woordenrelletje, waar ze nog niet uit waren.„Mijn beursje is weg met dertig gulden zilver,” zei mevrouw Markens[50]tamelijk onverschillig. „De kinderen kunnen best weten, dat het in mijn kast lag; ze hebben het zeker hier zien liggen, als ze in de kamer waren.”„Ja, het is het beursje van mama,” riepen de jongens te gelijk, „en er zaten dertig guldens in aan rijksdaalders.”„Ik laat dadelijk den schout roepen,” verklaarde mevrouw Markens met verontwaardiging; „ik laat al de bedienden oppakken en in hun kamers huiszoeking doen,” en met ’n vaart naar achter loopend, waar het bediendenpersoneel nog stond, in een afwachtende houding, niet wetend of het zou blijven of weggaan,—viel zij woedend uit, hen scheldend voor dieven en inbrekers, dreigend met politie, gevangenis en dwangarbeid, terwijl Markens achter haar stond zonder eenige overtuiging, veeleer met twijfel en angst in zijn hart, maar een boos en ongenaakbaar gezicht trekkend, harmonisch dreigend met de kwade woorden zijner vrouw.Toen zij had uitgesproken, kwam een oude huisjongen een stapje voorwaarts, het vastbeslotene in zijn uiterlijk, dat een inlander kenmerkt, als hij ten slotte zich heeft voorgenomen voor zijn rechten op te komen.„Wij hebben niets gedaan,” zei hij. „Zij niet en ik niet. Ik hield hier zelf de wacht toen mijnheer en mevrouw uit waren. De anderen zaten voor hun kamers; ik kon hen zien in de verte bij hun lampjes. De sinjo’s schreeuwden, en ik ging dadelijk naar binnen; de anderen volgden. Er was niets. De kast stond open en de sinjo’s zeiden, dat er geld uit was. Wij weten van niets.”Met nijdige gezichten schoten de jongens, die op hun bloote voeten naderbij waren geslopen, achter hun ouders vandaan.„Hij liegt het, ma. Hij was al in de kamer, en hij moet het hebben weggenomen ook!”Mevrouw Markens wond zich meer en meer op.„Hoor je het?” vroeg zij haar man, die met de kin in de hand en ’n somber gezicht voor zich keek. „Hoor je het? De kinderen hebben het dieventuig zelf betrapt, en nog durft die kerel het ontkennen. Maar ze zullen het weten, dat beloof ik hun. ’t Is maar gelukkig, dat de kinderen het ontdekt hebben.”De bejaarde inlander, die goed Hollandsch verstond, trok, nu ook inwendig zenuwachtig, aan de randen van zijn baadje, zich bedwingend om niet uit den goeden toon te vallen en brutaal te worden.„Ik zou gaarne mijnheer even alleen spreken.”„Je hebt niets alleen te spreken met mijnheer! Je kunt wel zeggen, wat je te zeggen hebt, waar ik bij ben.”Die „onbeschoftheid” bracht haar bijna buiten haar zelve. Zij zou[51]genegeerd worden en niet gerekend als nummer één in huis door zoo’n verachtelijk voorwerp als een inlandsche bediende! En Markens, wel voelend, dat er verschrikkelijke scènes stonden te gebeuren, als hij den inlander z’n zin gaf, knikte op haar woorden toestemmend.„Wat je te zeggen hebt,” zei hij tot den bediende, „moet mevrouw even goed hooren als ik.”De man schraapte zijn keel; het viel hem moeilijk; toch zei hij met vaste stem:„De sinjo’s hebben het geld weggenomen. Zij hebben het verborgen in hun bed. Zij nemen wel iets meer weg, dat zij daar verstoppen. Ik heb het al lang geweten, en de anderen weten het ook.”Zij stonden allen verslagen een oogenblik. Markens had het zien aankomen. Zijn oude inspecteursgevatheid had hem dadelijk doen opmerken wie de schuldigen waren. Nu had hij zekerheid voor zichzelf, en bij de groote smart, die over hem kwam, doorstroomde hem ook heelemaal het gevoel van een onafwijsbaren plicht, die ten koste van alles moest vervuld worden.„Wij zullen het dadelijk gaan onderzoeken.”Zijn vrouw had een oogenblik verslagen gestaan, met een instinctmatige beweging als om haar jongens te beschermen, die gluiperig en nijdig, met witte lippen, rondkeken zijlings uit met hun harde hielen trappend naar de bedienden. Nu zij dàt hoorde, werd zij in eens zichzelf; had zij haar hooghartigheid en trots terug, en kalm, minachtend van toon, vroeg zij:„Zou-je dat werkelijk doen?”„Ongetwijfeld.”„Zou-je mij en mijn kinderen die schandelijke beleediging durven aandoen?”„Hetmoetonderzocht worden.”„En ik zeg je, dat het nietzalgebeuren.”Hij haalde de schouders op, als iemand, die met een dwaze te doen heeft en wierp een harden, strengen blik op de jongens.„Ed, Fred,ajo, vooruit!”Maar zij hield ze terug, bevend van het hoofd tot de voeten, en gillend haast in haar toestand van zenuwachtige overspanning; gebiedend in haar houding met uitgestrekten arm en wijsvinger, riep ze:„Markens, het gebeurt niet. Ik verbied je mij die schandelijke vernedering aan te doen tegenover mijn leugenachtige bedienden, of ik verlaat dadelijk dit huis.”Het waren „haar” kinderen en „haar” bedienden; de zijnen waren het, naar haar oordeel, blijkbaar niet. Zij zei dat altijd zóó, en altijd[52]hinderde het hem. Nu vooral, trof hem zoo diep haar vijandige houding tegenover hem, waar hij niets wilde doen dan zijn plicht. Altijd was hij goed, meegaand, zachtzinnig geweest, onder den invloed van haar steeds op den voorgrond gestelde afkomst-superioriteit, als ware die van haar een persoonlijke verdienste, altijd had hij haar behandeld met toegevendheid en onderscheiding en zich zoo weinig hoofd betoond van het gezin, dat hij het metterdaad ook reeds lang niet meer was. Nu het zóóver gekomen was, dus te laat, kon hij niet meer. Hij vergat de gewone nette verhouding, die hij altijd, schoon gedwongen, in het oog had gehouden bij verschil; zijn gezicht werd rood en zijn voorhoofd zwol van toorn.„Dan donder-je maar op! Ed, Fred,ajo, vooruit!”En het rechterbeen uitstrekkend, gaf hij Freddy een harden schop. De jongens waren nog het meest verschrikt. Zóó kenden ze hun vader niet; hun harten bonsden, angstig liepen ze naar hun kamer. Even had mevrouw Markens haar hand tegen den muur gesteund, wankelend op haar beenen, nu ze gevoelde, dat alles verloren was, en niets haar helpen kon in de verdedigingquand mêmevan haar kinderen,—maar ook door de herinnering. Dat was dezelfde ruwheid van dertig jaren en langer geleden van haar dronken vader, die haar elken dag sloeg, en van haar slechte sujetten van broers; dezelfde verschrikkelijke toon, dien zij zoolang had getracht te vergeten, dien zij meende nooitweêrte zullen hooren en die nu opeens terugkwam als een opdoemend verschrikkelijk verleden in het barsche: „Dan donder-je maar op!” van haar anders zoo goedigen, volgzamen man!Het duurde niet lang. Zij liep hem na; zij moest weten hoe het zou afloopen; zij moest erbij zijn om haar kinderen te verdedigen.Toen zij binnenkwam was de klamboe van het bed wijd open, lag de bultzak omgeslagen. De jongens stonden erbij in grooten angst, bijtend op de nagels hunner bevende vingers. En bij ’t schijnsel van het nachtlampje, dat de oude bediende omhoog hield, zag zij zilvergeld blinken in de hand van Markens en hoorde zij het rammelen op de onderlagen. Er kwam meer uit dan het geld; half leege conserveblikjes; voorwerpen, die zij meende verloren te hebben of die zoek waren geraakt; snoeperijen uit den koekbakkerswinkel; een nog volle flesch port en restantjes andere dranken,—een kleinegoedang.Wanhopig keek Markens naar de jongens; in zijn schrikkelijk verdriet een opwelling van razende woede, een lust hen dood te slaan in één slag.„O God,” riep zijn vrouw, de handen samenvouwend en in theatrale houding vlak voor hem. „Hoe schandelijk, hoe gemeen! Dat heeft dat volk er[53]met opzet in verborgen om mijn lieve kinderenongelukkig temaken!”Doch van politie, gevangenis en dwangarbeid sprak zij niet meer.„Ik zal jullie morgen wel vinden,” was alles, wat Markens tegen de jongens wist te zeggen, en hij wist daar op dat oogenblik zelf niet bijwathij den volgenden dag doen zou. Hij zei het enkel om iets te zeggen, blij, dat het schandaal in zoover was afgeloopen; en Eddy en Freddy waren niet minder blij, dadelijk gekheid makend en stilletjes scheldend op hun vader en de bedienden, die ze wel „zouden krijgen;” zonder eenig gevoel van spijt om hun gedrag, heelemaal doortrokken met de eigenschappen van den ontaarden tak waaruit hun moeder voortkwam, en die zich in hun geest en wezen als photographisch had overgebracht.Het was Markens niet mogelijk geweest te slapen; hij zat in zijn studeerkamer, beproevend na te denken, doch onder den invloed van het oogenblik er niet toe in staat. Nu en dan rolden de tranen hem over ’t gezicht. Wat moest daarvan worden als hij eens dood was? Hij had nu een goed inkomen, dat hij niet onaanzienlijk wist te vermeerderen, wel zonder rechtstreeks iemand te benadeelen, maar toch op een manier, die het daglicht niet kon verdragen. Zij zaten met dat al in schulden, al was hun gezin maar klein. Het had hem alles minder kunnen schelen, wanneer hij slechts genoegen van die twee jongens had beleefd. Doch dat was nooit gebeurd, en nu—hadden zij zich schuldig gemaakt aan diefstal, en niet eens voor de eerste maal. Misschien zou hij, als hij er ernstig naar streefde, paal en perk kunnen stellen aan dat alles, maar wat zou het baten? Zijn vrouw zou wel een tegenwicht ten kwade leveren, en dan was alle moeite toch vruchteloos; dan groeiden zijn kinderen toch, om zoo te spreken, op voor galg en rad!

Mevrouw Markens zag, toen het rijtuig haar erf opreed, buitengewone beweging van heen enweêrloopende inlanders. Zij had geen[49]woord gewisseld met haar man; zij hadden elkaar niets te zeggen.

„Wat zou dat beteekenen?” vroeg zij nu angstig, de hand reeds aan den knop van het portier.

„Houd je bedaard, Etienne; we zullen ’t wel dadelijk hooren.”

Maar zenuwachtig en al bevend van voorloopigen schrik, had ze de deur open vóór het rijtuig stilstond.

Markens hield haar tegen.

„Wees toch zoo onvoorzichtig niet, je zult zelf een ongeluk krijgen.”

Zij trok zich los en sprong op het pad; de grind schoof weg onder haar balschoentjes; zij viel achterover, schoon niet heel hard, en zijdelings op het gazon. Het maakte haar nog zenuwachtiger, en snel opstaand, zonder haar mooiesortie, die in het gras achterbleef, liep ze voort, Markens mopperend er achteraan, maar toch ook ongerust, over die beweging, waar men altijd alles zoo volmaakt stil en rustig gewoon was.

De stemmen der bedienden zwegen, en hun heen enweêrloopen hield op; zij stonden in de achtergalerij voor de deur; binnen brandde een laag licht.

„Eddy! Freddy!” had mevrouw Markens luid geroepen, haast struikelend over haar eigen voetstappen, in haar zenuwachtigen angst, overtuigd, dat den kinderen een ongeluk was overkomen.

„Hier ma!” zei een der jongens.

„Wat is er gebeurd? Is jullie iets overkomen?”

„Ja zeker, ma!” riep de oudste. „Ze hebben bij u gestolen, en nu zeggen ze, dat wij het hebben gedaan.”

De jongens in hun broeken en baadjes zagen er gezond en goed gebouwd uit, doch met iets ouwelijks en getrokkens in hun gezichten.

„Gestolen!” herhaalde hun moeder, verwonderd, en nu er geen lichamelijk ongeluk was gebeurd, weêr kalm: „Bijonsgestolen?”

Als in het begin spraken de jongens beiden te gelijk, meê voortgaande naar het boudoir van mama. Luid en schreeuwerig, brachten zij hun ouders bij een mahoniehouten spiegelkast, die openstond, het slot geforceerd; door elkaar vertellend, zeiden zij, dat ze een dief gehoord hadden en om hulp enmalieng-malienghadden geschreeuwd; toen waren de bedienden gekomen en die geloofden dat zij het hadden gedaan.…

„Wat hadden gedaan?” vroeg Markens ineens.

„Het geld gestolen,” zeiden de jongens.

„Is er dan geld gestolen? Hoe weten jullie, dat er geld is weggenomen?”

De jongens stonden een oogenblik aarzelend, hakkelend bij het inslikken van het woordenrelletje, waar ze nog niet uit waren.

„Mijn beursje is weg met dertig gulden zilver,” zei mevrouw Markens[50]tamelijk onverschillig. „De kinderen kunnen best weten, dat het in mijn kast lag; ze hebben het zeker hier zien liggen, als ze in de kamer waren.”

„Ja, het is het beursje van mama,” riepen de jongens te gelijk, „en er zaten dertig guldens in aan rijksdaalders.”

„Ik laat dadelijk den schout roepen,” verklaarde mevrouw Markens met verontwaardiging; „ik laat al de bedienden oppakken en in hun kamers huiszoeking doen,” en met ’n vaart naar achter loopend, waar het bediendenpersoneel nog stond, in een afwachtende houding, niet wetend of het zou blijven of weggaan,—viel zij woedend uit, hen scheldend voor dieven en inbrekers, dreigend met politie, gevangenis en dwangarbeid, terwijl Markens achter haar stond zonder eenige overtuiging, veeleer met twijfel en angst in zijn hart, maar een boos en ongenaakbaar gezicht trekkend, harmonisch dreigend met de kwade woorden zijner vrouw.

Toen zij had uitgesproken, kwam een oude huisjongen een stapje voorwaarts, het vastbeslotene in zijn uiterlijk, dat een inlander kenmerkt, als hij ten slotte zich heeft voorgenomen voor zijn rechten op te komen.

„Wij hebben niets gedaan,” zei hij. „Zij niet en ik niet. Ik hield hier zelf de wacht toen mijnheer en mevrouw uit waren. De anderen zaten voor hun kamers; ik kon hen zien in de verte bij hun lampjes. De sinjo’s schreeuwden, en ik ging dadelijk naar binnen; de anderen volgden. Er was niets. De kast stond open en de sinjo’s zeiden, dat er geld uit was. Wij weten van niets.”

Met nijdige gezichten schoten de jongens, die op hun bloote voeten naderbij waren geslopen, achter hun ouders vandaan.

„Hij liegt het, ma. Hij was al in de kamer, en hij moet het hebben weggenomen ook!”

Mevrouw Markens wond zich meer en meer op.

„Hoor je het?” vroeg zij haar man, die met de kin in de hand en ’n somber gezicht voor zich keek. „Hoor je het? De kinderen hebben het dieventuig zelf betrapt, en nog durft die kerel het ontkennen. Maar ze zullen het weten, dat beloof ik hun. ’t Is maar gelukkig, dat de kinderen het ontdekt hebben.”

De bejaarde inlander, die goed Hollandsch verstond, trok, nu ook inwendig zenuwachtig, aan de randen van zijn baadje, zich bedwingend om niet uit den goeden toon te vallen en brutaal te worden.

„Ik zou gaarne mijnheer even alleen spreken.”

„Je hebt niets alleen te spreken met mijnheer! Je kunt wel zeggen, wat je te zeggen hebt, waar ik bij ben.”

Die „onbeschoftheid” bracht haar bijna buiten haar zelve. Zij zou[51]genegeerd worden en niet gerekend als nummer één in huis door zoo’n verachtelijk voorwerp als een inlandsche bediende! En Markens, wel voelend, dat er verschrikkelijke scènes stonden te gebeuren, als hij den inlander z’n zin gaf, knikte op haar woorden toestemmend.

„Wat je te zeggen hebt,” zei hij tot den bediende, „moet mevrouw even goed hooren als ik.”

De man schraapte zijn keel; het viel hem moeilijk; toch zei hij met vaste stem:

„De sinjo’s hebben het geld weggenomen. Zij hebben het verborgen in hun bed. Zij nemen wel iets meer weg, dat zij daar verstoppen. Ik heb het al lang geweten, en de anderen weten het ook.”

Zij stonden allen verslagen een oogenblik. Markens had het zien aankomen. Zijn oude inspecteursgevatheid had hem dadelijk doen opmerken wie de schuldigen waren. Nu had hij zekerheid voor zichzelf, en bij de groote smart, die over hem kwam, doorstroomde hem ook heelemaal het gevoel van een onafwijsbaren plicht, die ten koste van alles moest vervuld worden.

„Wij zullen het dadelijk gaan onderzoeken.”

Zijn vrouw had een oogenblik verslagen gestaan, met een instinctmatige beweging als om haar jongens te beschermen, die gluiperig en nijdig, met witte lippen, rondkeken zijlings uit met hun harde hielen trappend naar de bedienden. Nu zij dàt hoorde, werd zij in eens zichzelf; had zij haar hooghartigheid en trots terug, en kalm, minachtend van toon, vroeg zij:

„Zou-je dat werkelijk doen?”

„Ongetwijfeld.”

„Zou-je mij en mijn kinderen die schandelijke beleediging durven aandoen?”

„Hetmoetonderzocht worden.”

„En ik zeg je, dat het nietzalgebeuren.”

Hij haalde de schouders op, als iemand, die met een dwaze te doen heeft en wierp een harden, strengen blik op de jongens.

„Ed, Fred,ajo, vooruit!”

Maar zij hield ze terug, bevend van het hoofd tot de voeten, en gillend haast in haar toestand van zenuwachtige overspanning; gebiedend in haar houding met uitgestrekten arm en wijsvinger, riep ze:

„Markens, het gebeurt niet. Ik verbied je mij die schandelijke vernedering aan te doen tegenover mijn leugenachtige bedienden, of ik verlaat dadelijk dit huis.”

Het waren „haar” kinderen en „haar” bedienden; de zijnen waren het, naar haar oordeel, blijkbaar niet. Zij zei dat altijd zóó, en altijd[52]hinderde het hem. Nu vooral, trof hem zoo diep haar vijandige houding tegenover hem, waar hij niets wilde doen dan zijn plicht. Altijd was hij goed, meegaand, zachtzinnig geweest, onder den invloed van haar steeds op den voorgrond gestelde afkomst-superioriteit, als ware die van haar een persoonlijke verdienste, altijd had hij haar behandeld met toegevendheid en onderscheiding en zich zoo weinig hoofd betoond van het gezin, dat hij het metterdaad ook reeds lang niet meer was. Nu het zóóver gekomen was, dus te laat, kon hij niet meer. Hij vergat de gewone nette verhouding, die hij altijd, schoon gedwongen, in het oog had gehouden bij verschil; zijn gezicht werd rood en zijn voorhoofd zwol van toorn.

„Dan donder-je maar op! Ed, Fred,ajo, vooruit!”

En het rechterbeen uitstrekkend, gaf hij Freddy een harden schop. De jongens waren nog het meest verschrikt. Zóó kenden ze hun vader niet; hun harten bonsden, angstig liepen ze naar hun kamer. Even had mevrouw Markens haar hand tegen den muur gesteund, wankelend op haar beenen, nu ze gevoelde, dat alles verloren was, en niets haar helpen kon in de verdedigingquand mêmevan haar kinderen,—maar ook door de herinnering. Dat was dezelfde ruwheid van dertig jaren en langer geleden van haar dronken vader, die haar elken dag sloeg, en van haar slechte sujetten van broers; dezelfde verschrikkelijke toon, dien zij zoolang had getracht te vergeten, dien zij meende nooitweêrte zullen hooren en die nu opeens terugkwam als een opdoemend verschrikkelijk verleden in het barsche: „Dan donder-je maar op!” van haar anders zoo goedigen, volgzamen man!

Het duurde niet lang. Zij liep hem na; zij moest weten hoe het zou afloopen; zij moest erbij zijn om haar kinderen te verdedigen.

Toen zij binnenkwam was de klamboe van het bed wijd open, lag de bultzak omgeslagen. De jongens stonden erbij in grooten angst, bijtend op de nagels hunner bevende vingers. En bij ’t schijnsel van het nachtlampje, dat de oude bediende omhoog hield, zag zij zilvergeld blinken in de hand van Markens en hoorde zij het rammelen op de onderlagen. Er kwam meer uit dan het geld; half leege conserveblikjes; voorwerpen, die zij meende verloren te hebben of die zoek waren geraakt; snoeperijen uit den koekbakkerswinkel; een nog volle flesch port en restantjes andere dranken,—een kleinegoedang.

Wanhopig keek Markens naar de jongens; in zijn schrikkelijk verdriet een opwelling van razende woede, een lust hen dood te slaan in één slag.

„O God,” riep zijn vrouw, de handen samenvouwend en in theatrale houding vlak voor hem. „Hoe schandelijk, hoe gemeen! Dat heeft dat volk er[53]met opzet in verborgen om mijn lieve kinderenongelukkig temaken!”

Doch van politie, gevangenis en dwangarbeid sprak zij niet meer.

„Ik zal jullie morgen wel vinden,” was alles, wat Markens tegen de jongens wist te zeggen, en hij wist daar op dat oogenblik zelf niet bijwathij den volgenden dag doen zou. Hij zei het enkel om iets te zeggen, blij, dat het schandaal in zoover was afgeloopen; en Eddy en Freddy waren niet minder blij, dadelijk gekheid makend en stilletjes scheldend op hun vader en de bedienden, die ze wel „zouden krijgen;” zonder eenig gevoel van spijt om hun gedrag, heelemaal doortrokken met de eigenschappen van den ontaarden tak waaruit hun moeder voortkwam, en die zich in hun geest en wezen als photographisch had overgebracht.

Het was Markens niet mogelijk geweest te slapen; hij zat in zijn studeerkamer, beproevend na te denken, doch onder den invloed van het oogenblik er niet toe in staat. Nu en dan rolden de tranen hem over ’t gezicht. Wat moest daarvan worden als hij eens dood was? Hij had nu een goed inkomen, dat hij niet onaanzienlijk wist te vermeerderen, wel zonder rechtstreeks iemand te benadeelen, maar toch op een manier, die het daglicht niet kon verdragen. Zij zaten met dat al in schulden, al was hun gezin maar klein. Het had hem alles minder kunnen schelen, wanneer hij slechts genoegen van die twee jongens had beleefd. Doch dat was nooit gebeurd, en nu—hadden zij zich schuldig gemaakt aan diefstal, en niet eens voor de eerste maal. Misschien zou hij, als hij er ernstig naar streefde, paal en perk kunnen stellen aan dat alles, maar wat zou het baten? Zijn vrouw zou wel een tegenwicht ten kwade leveren, en dan was alle moeite toch vruchteloos; dan groeiden zijn kinderen toch, om zoo te spreken, op voor galg en rad!


Back to IndexNext